Kerstverhaal: het meeuwenjong 25 december 2018 – Tags: , , , , , ,

De chauffeur en het meeuwenjong

Jan de Bakker is al zijn hele leven dol op beesten, vooral die in de vrije natuur. De huisdieren die hij als kind had, gaf hij zo veel mogelijk vrijheid. Hij had duiven en katten (een combinatie die niet zo goed beviel) en konijnen, die zo tam werden dat ze los konden lopen en hem hun voerbakje brachten als hij uit school kwam.
Het meest houdt Jan de Bakker van vogels, vooral roofvogels. Die laten zich niet zo gemakkelijk los houden en zulke machtige dieren in een volière stoppen doet hem pijn aan het hart. Dus toen Jan de Bakker besloot opnieuw vogels te houden, koos hij voor een grote volière met kleine vogeltjes. Kanaries, allerlei tropische types en zebravinken met schattige nestjes vol eitjes. De op een dag aangeschafte dwergkwartels gingen wegens luidkeels geuite heimwee retour naar de fokker, maar verder hield Jan de Bakker vooral tevreden vogeltjes, die heel oud werden, voor hun doen.
Toch bleek dierenvriend Jan de Bakker in staat een volkomen gezond meeuwenjong zijn engelenvleugels aan te meten en rechtstreeks naar de hemel te sturen.

Met de kippen van stok

Jan de Bakker staat elke dag belachelijk vroeg op. Dat vindt hij zelf niet: hij vindt dat iedereen belachelijk lang in zijn bed blijft liggen en het mooiste deel van de dag mist. Toen hij nog wielrenner was, had hij er al uren training opzitten wanneer de eerste bus door het dorp reed. Hij gaat met de kippen van stok. Toch kwam Jan de Bakkers bioritme onlangs in de knoop met zijn dierenliefde.
Op het dak van zijn huis, recht boven de slaapkamer, besloot een meeuw te nestelen. Dat was leuk, wat een ontroerend gesleep met takjes, wat een bezig baasje toch. Tot de eieren uitkwamen en de kuikens ’s ochtends om half vijf begonnen te schreeuwen. Half vijf is inmiddels zelfs Jan de Bakker, die de pensioengerechtigde leeftijd nadert, een beetje te gek.
Hij mopperde en wenste ze zo nu en dan iets onvriendelijks toe, om tenslotte op te merken dat die jongen er natuurlijk ook niets aan konden doen. ‘Het zijn nu eenmaal meeuwen en meeuwen schreeuwen.’

Krappe steeg

Op zijn werk heeft Jan de Bakker ook te maken met meeuwen. Jan de Bakker is chauffeur. Hij rijdt voor een groothandel op een vrachtwagen, om restaurants en hotels vakkundig, vriendelijk, snel en professioneel van verse voorraad te voorzien. Dat kan hij geweldig. In die grote wagen rijden ook.
Als de chauffeurs na hun rit terugkomen op de zaak, moeten ze via een smalle steeg met een haakse bocht om het gebouw heen rijden.
Jan de Bakker vraagt zich geregeld af wie dat ooit bedacht heeft. Misschien iemand die het leuk vond om met kleine autootjes op een maquette te spelen en die zelf geen rijbewijs heeft. Zo’n lekker creatieve kunstenaar, vreest hij. Maar Jan de Bakker leeft in de keiharde realiteit en daarin is nu geen andere route naar het laaddock dan de steeg. En in de steeg is aan beide kanten zo’n twintig centimeter ruimte van de auto tot de muur.

Uilskuikens

Zo’n steeg – waar zo’n vijftig, zestig keer per dag een grote vrachtwagen doorheen gromt – lijkt een waardeloze plek om te nestelen. Dan kun je beter bij Jan de Bakker op het dak wonen.
Er is een meeuw die daar anders over denkt. Zij kiest de hoek van de steeg waar de wagens met pijnlijke precisie de bocht nemen, vliegt honderden keren voor metersbrede voorruiten langs met takjes en werpt haar eieren. Dan herhaalt ze haar kamikazeacties voor de verhitte grills langs, met de snavel vol voedsel dat ze uit de vuilcontainers en het nabijgelegen kanaal haalt.
Zolang de jongen op het nest blijven, is het nog te doen voor de chauffeurs. Maar die jongen leren hun pootjes strekken en rennen dan als uilskuikens een paar weken door de steeg. Sommige chauffeurs zullen misschien een dotje extra gas geven, maar types als Jan de Bakker doen dagelijks hoofdschuddend hun best om de acht, zeven, zes, vijf, vier, drie, twee verenbollen te ontwijken.
Dit voorjaar had eentje het zelfs weten te redden tot een flinke knaap van een gevlekte zeemeeuw.

Ruffelen

Jan de Bakker, voormalig wielrenner, thans chauffeur, doet alles – behalve zijn werk – op de fiets. Heel soms, als het giet van de lucht, neemt hij ’s ochtends fietsend een illegale sluiproute door de bewuste steeg. In alle vroegte rijden daar nog geen vrachtwagens. Wel zit er een meeuw met nog maar één jong.
Jan de Bakker weet dat als geen ander. Toch is hij hoogstverbaasd én verontwaardigd, wanneer dat stomme meeuwenjong recht voor zijn voorwiel springt. Jawel: van zijn fiets.
‘Kadung kadung. Ik rij zo over hem heen.’ Jan de Bakker vertelt dagen later nog altijd met gespannen stem en grote armgebaren hoe dat kadung kadung ging en dat hij afstapte om het slachtoffer terug in vorm te ruffelen. ‘Wat denk je? Is ‘ie dood. Dóód. Zijn nek is geknakt en dat was het.’ Jan de Bakker zegt een niet-netjes woord. Hij schudt nog eens zijn hoofd. ‘Doe je wekenlang je best om àl je achttien wielen om hem heen te sturen, rent ‘ie onder je fiets. De sukkel.’
En Jan de Bakker lacht met wie zijn relaas aanhoort, ze schateren, om zijn verontwaardiging, om dat domme beest, om de ironie.
En ze slikken na een diepe zucht een brok uit de keel.

(c) Suzanne Buis

Foto: Alistair Hazel, gevonden bij ‘A Seagull Story’